Lijst van artikels»
Artikels
Soms zwijgen redacties over journalistiek falen, soms krijgt het verweer voorkeuraandacht. Te vaak nog is journalistiek verweer een vorm van negationisme. (...) Journalistiek negationisme is een verleidelijke defensieve reflex, of het nu gaat om een ontkenning, de wegmoffeling van een halve rechtzetting, of een goedkoop excuus.
Relatie? Ongewenste initimiteiten? Geweld toe? Hoefden we dit allemaal te weten? Nee toch, maar we hoorden of zagen het wél. Vogelvrij te grabbel op het media-altaar, klaargezet door een weekblad dat het lang zonder scoop had moeten stellen.
Het debat over de grenzen van berichtgeving over het privé-leven van politici is gekenmerkt door dubbele standaarden. Immers, politici kiezen soms voor politieke beschadiging van hun tegenstrevers door exploitatie van hun privé-leven. In de UK is dit, helaas, de standaard geworden, bij ons, gelukkig, nog niet. Het verweer tegen zulke bekendmakingen komt al wel uit die hoek.
Het gerechtelijk apparaat is zo lek geworden als een mandje, alle saillante details uit belangrijke gerechtelijke onderzoeken vinden hun weg naar de media. Gerechtsjournalistiek stelt vaak niet veel meer voor dan de kennis van de weg naar het lek, megafonie vervangt kritische journalistiek. De journalistieke primeurwens ontmoet de hitwens van gerechtelijk enquêteurs: een schijnbare win-win, met – behalve de sensatie - alleen maar verliezers.
Procureurs hebben een geweten en een stem, net zoals advocaten van de verdediging. Ook procureurs moeten méér het publieke justitiedebat voeren, ook de media, ook justitieministers die altijd wegdeemsteren. Doch los van mediatieke processen, mannetjesmakerij of incidentjes. Dan kan het debat weg van de neveneffecten.
Media hebben er alle belang bij om wettelijke grenzen voor journalistiek handelen te respecteren. Immers, de fundamentele mediavrijheid die, terecht, ruime journalistieke vrijheid garandeert, rust op dezelfde juridische sokkel. Die beschermt waarden, zoals de waardigheid van elk individu en de democratische rechtsstaat op een samenhangende wijze.
Journalisten moeten niet de stem van de ondernemer vertolken, ze moeten er afstand van bewaren. Maar ze moeten die ook bewaren van kritische stemmen. Te vaak wordt gedacht dat kritiekloze aansluiting bij kritiek staat voor neutraliteit.
Gerechtsjournalistiek is te vaak puur feitjes of – erger – gissing, veronderstelling en speculatie. Vaker nog emo, storytelling met weinig journalistieke inhoud en zonder kritische reflex. Journalistiek komt dan dicht bij de nieuwe reality-tv: speel eens een talkshow, doe eens een interviewtje. De werkelijkheid verpakt, geregisseerd, en die fictie dan geregistreerd. Gerechtelijke activiteit wordt dan zoals media-activiteit: met vedetten, mode’s en sterren. Voorkeurmagistraten en –advocaten.
We hebben niet de Britse tabloidsfeer met al haar overdrijvingen, tenminste: zo nemen we makkelijk als axioma aan. Maar ontsnappen we aan alle risico’s, wanneer redacties voortdurend verwijzen naar onderbezetting en commerciële druk? Is dat misplaatste journalistieke ijver om alle redactiecomfort uit het verleden te vrijwaren, of zijn het de alarmsignalen die in andere sectoren ten onrechte werden genegeerd?
De échte journalistieke promesse ligt immers in de professionele en verantwoordelijke selectie van waarachtig nuttige informatie, die er maatschappelijk echt toe doet, en in de controle van wat men naar voren brengt. Daarmee kan men toch niet achteloos omspringen?